Prins van oranje – Buren

“De prins van Oranje”

De Prins van Oranje is een walmolen in Buren, Gelderland.
Het is een ronde stenen stellingmolen die als korenmolen is ingericht.
De molen staat op de Molenwal en is in 1716 gebouwd als vervanging van een eerdere standerdmolen op dezelfde plaats.
In 1911 brak brand uit, waarna de Prins van Oranje is hersteld en verhoogd.
Bij de reparatie is gebruikgemaakt van onderdelen uit een oude oliemolen, genaamd De Reus.

In 1947 werd de molen door de gemeente Buren gekocht met als doel deze voor verval te behoeden.
De molen werd in 1952 uitwendig gerestaureerd, maar pas na een ingrijpende restauratie in 1974,
waarbij een nieuw maalwerk werd aangebracht, was hij weer maalvaardig.
De Prins van Oranje heeft twee koppels maalstenen, waarmee op vrijwillige basis graan wordt gemalen.

De prins van Oranje
  De prins van OranjeDSCN0653

“Werking van maalstenen”

Elk maalkoppel bestaat uit een ligger en een loper en beide zijn voorzien van uitgekapte groeven (scherpsel).
De groeven worden de uitslagen of het bodemsel genoemd en de richels de kerven of maalbalken.
De ligger ligt stil en de loper wordt door het gaande werk aangedreven.
Het scherpsel kan bestaan uit veel of weinig kerven en verschillende vormen hebben,
zoals waaiervormig (zwaaischerpsel) of in stralen (stralenscherpsel).
Ook kan het bestaan uit hoofdkerven met nevenkerven (pandscherpsel).
Er zijn ook stenen met een zogenaamd gatenscherpsel, dit is einde jaren ’50 uitgevonden door
molensteenmaker Jan Kuyken uit Hasselt (België).
Bij deze stenen is het tijdrovende scherpen niet meer nodig.
In de uitslagen zitten langwerpige gaten. Tussen de kerven zitten dammen om ervoor te zorgen dat het graan over de kerven gedreven wordt en dus gemalen.
Een steen met een grove structuur, wordt een grage steen genoemd, heeft van zichzelf al veel snijkantjes
en heeft daarom minder kerven. Een steen met een fijne structuur, wordt een vaste steen genoemd,
heeft van zichzelf weinig snijkantjes en heeft daarom meer kerven.
De ene kant van de kerf heeft een geleidelijke overgang naar de uitslag, de maalkant,
en de andere kant een steile overgang, de vijlkant.

Een steen voor het malen van voergraan heeft meestal een zwaai(pand)scherpsel. Ook werden stenen met gatenscherpsel gebruikt voor het malen van voergraan. Voor het malen van consumptiegraan gebruikt men meestal een stralenscherpsel zonder vijlkanten, waardoor de tarwekorrel beter uitgemalen wordt. Deze stenen hebben echter een lagere capaciteit dan een voersteen.

 

Maalbeeld
De ligger is vlak, terwijl de loper op het binnenste maalvlak iets hol is.
Hierdoor ontstaat een entree gedeelte, waardoor de graankorrels via het kropgat tussen de stenen komen.
Vervolgens worden de korrels naar buiten gedreven.
Eerst over het breekvlak, waar de korrels gebroken worden en verder over de maalbaan
waar ze tenslotte tot meel vermalen worden.

Afhankelijk van de draairichting van de molenstenen en of het een loper dan wel een ligger is,
wijst het scherpsel linksom of rechtsom. De loper van de voormolen bij een standerdmolen en de vroegere torenmolens hebben een linksom scherpsel en die bij de achtermolen en alle andere typen korenmolens hebben een rechtsom scherpsel.
Bij het malen lopen de scherpsels van de ligger en de loper tegen elkaar in waardoor door de knipbeweging de korrels gebroken en fijn gemalen worden.

“Soorten stenen”

Blauwe stenen
Eeuwenlang zijn in Nederland zogenaamde blauwe stenen van basaltlava, afkomstig uit oude vulkanen in de Eifel,
als molensteen gebruikt. Vooral de Niedermendiger basaltlava is het meest voor molenstenen gebruikt.
Blauwe stenen zijn vrij zacht en moeten 5 keer vaker gescherpt worden dan kunststenen.
Bovendien liggen er vaak zeer veel (smalle) kerven op, wat het scherpen moeilijker maakt; de steen is echter wel vrij zacht waardoor het scherpen sneller gaat.

 

Kunststenen

Sinds ca. 1900 worden er ook massieve kunststenen gebruikt,
gegoten uit een mengsel van stukjes harde steen, onder andere kwarts, amaril of flintsteen en een bindmiddel
uit waterglas met gips wat later vervangen is door het vloeibare magnesiumchloride en het vaste magnesiumoxide (magnesiet).

Later zijn stenen uitgevonden waarbij de groeven of uitslag van een zachter materiaal zijn dan de kerven of maalbalken,
waardoor de steen eenvoudiger te scherpen is, omdat alleen zacht materiaal behoeft te worden weggehakt.
Deze stenen noemt men stenen met zachte uitslag of zacht bodemsel.
Ook zijn er stenen met twee soorten zachte uitslag, een aan de vijlkant en een aan de maalkant.
De kerven van de steen bestaan uit amaril of recenter uit flintsteen met het voorgenoemde bindmiddel.
De groeven zijn van montmorilloniet. Bij de fabricage van een steen met zacht bodemsel worden eerst de kerven gegoten. Vervolgens worden deze in een mal voor de steen geplaatst en wordt het bodemsel gegoten.
Deze laag is 10 cm dik, vroeger was 15 cm gebruikelijk.
Hierop komt een 15 cm dikke ballastlaag voor de ligger, of 25 cm voor de loper, van beton met een hoog soortelijk gewicht voor het verkrijgen van voldoende gewicht.
Dit beton is eveneens gemaakt uit een magnesiumbindmiddel vermengd met fijn zand en grind.

 

Franse steen

De Franse steen is samengesteld uit stukken kwartsiet,
in de molenaarswereld ook wel aangeduid met de naam zoetwaterkwarts.
De naam “Franse steen” verwijst naar de herkomst van veel van deze stenen: de Marnevallei in Noord-Frankrijk.
De plaats die bekend is om zijn molenstenen is La Ferté-sous-Jouarre, waar van de 15e eeuw eeuw tot aan 1958 een zandsteensoort werd gedolven van uitzonderlijke kwaliteit.
In deze zandsteen heeft water in het verleden kiezelzuur afgezet, dat de poriën vulde.

De gedolven stenen zijn op zich te klein om een molensteen uit te vervaardigen.
Daarom werden ze als een soort van legpuzzel in de vorm van een molensteen gelegd en met cement tot één geheel gemaakt.
IJzeren banden verstevigen de Franse stenen.

Franse stenen zijn soms onbewerkt, maar zijn meestal voorzien van een pand- of een recht stralenscherpsel met vrij weinig kerven. De grof poreuze stenen (met vrij veel natuurlijk snijvermogen) werden,
vooral in Vlaanderen, gebruikt voor veevoeder terwijl de zeer harde fijn poreuze (met heel weinig natuurlijk snijvermogen) gebruikt werden om tarwe en rogge te malen voor de bakker.
Bij deze laatste zijn de kerven “gerhabilleerd”, d.w.z. dat er boven op de kerven zeer ondiepe streepjes geslagen zijn om de steen voldoende snijkracht te geven.
Het billen of scherpen is vanwege de hardheid van de steen lastig en tijdrovend.
Franse stenen zijn zeer geschikt voor het malen van tarwe.

Afstelling

Voor het centreren van de steen kan de steenwijzer worden gebruikt.
De bolspil wordt op zijn kop tussen de twee ronde gaten van de steenwijzer gezet.
In de andere zijde van de steenwijzer die plat op de steen ligt, zit een klein gat
met een stokje dat ongeveer 5 cm binnen de omtrek van de steen valt.
Ook is er voor het centreren van de steen een mal, bestaande uit een enkele plank met een rond gat dat over de bolspil gelegd kan worden. Aan het andere eind van deze plank wordt door een gaatje een stokje gestoken.

Onderhoud

Molenstenen slijten door het gebruik.
Na verloop van tijd moeten de groeven verder worden uitgekapt met een bilhamer.
Als de loper te dun wordt, slijt hij zijn leven verder als ligger.

 

Billen

Pelstenen zijn van zandsteen, hebben een doorsnee van 180 cm, wegen 2500 kilo en zijn glad.
Ook heeft de loper in het midden aan een kant een extra groot gat voor het smeren van de bolspil.
Ze maken 160 omwentelingen per minuut, en liggen in de vloer, omdat ze daar minder gevaar opleveren voor de molenaar als ze stuk gaan.
Ze worden gebruikt voor het pellen van gerst.
Het koppel pelstenen wekt door de zoggaten en waaikerven in de loper een soort zog op
waardoor de gerstkorrels tegen het pelblik aan worden geslingerd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *